Reputaties schaden mag niet

Caroline Raat

Je staat niet machteloos

Reputaties schaden mag niet

Iedereen voelt het wel aan: je mag niet zomaar iemand in zijn ‘eer en goede naam’, ook wel reputatie aantasten. Het is schadelijk en het kan bij de betrokkene heel hard aankomen, ook al is de uiting niet publiekelijk bekend. Zeker als professionals – bijvoorbeeld onderzoekers of ambtenaren die over anderen rapporteren – op onzorgvuldige wijze te werk gaan en daarbij mensen bijvoorbeeld beschuldigen of stellen dat de betrokkene ongeschikt is voor zijn werk, dan is het vaak noodzakelijk om daartegen iets te doen.

In voorprocedures sta ik mensen soms bij in dit soort kwesties, maar als het op civielrechtelijk procederen aankomt, laat ik dat over aan de specialisten. Wel kan ik aangeven dat je niet machteloos staat en dat je recht heb op het beschermen van je goede naam. Het is zelfs een mensenrecht! In dit blog geef ik een kort overzicht van de regels waarop je je kunt beroepen. Ook geef ik de regels over schade en aansprakelijkheid kort weer. Doe er een beroep op in de hoop dat de dader zijn aantijgingen uit eigen beweging weer intrekt. Want erover procederen is lastig.

Recht op reputatie en persoonlijke levenssfeer

Artikel 12 Universele verklaring voor de rechten van de mens

Dit artikel luidt: “Niemand zal onderworpen worden (…) aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.” Het artikel is geen verdragsbepaling en daarom niet juridisch bindend. Wel is het de bron van een aantal andere, bindende verdragen.

Artikel 17 Internationaal Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten

Dit artikel  luidt: “1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. 2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.” Dit artikel is wel een ieder verbindend, en mensen kunnen zich hierop rechtstreeks beroepen. Artikel 19 van het IVBPR regelt het recht op een mening en de uiting ervan, wat expliciet wordt ingeperkt door de noodzaak om de reputatie van anderen te beschermen.

Artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Het eerste lid van dit artikel luidt: “Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.” Hoewel deze bepaling het recht op reputatie niet noemt, komt uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren dat dit recht onder artikel 8 wordt begrepen.

De reputatie van een persoon, ook al wordt die persoon in het kader van een publiek debat bekritiseerd, maakt volgens het Hof deel uit van zijn of haar persoonlijke identiteit en psychologische integriteit en valt dus ook binnen de reikwijdte van zijn of haar ‘privéleven’. Dit is alleen aan de orde als door een misdrijf of ander gedrag zelf de schending voorzienbaar zou zijn.[1]

 Om deze bepaling van toepassing te laten zijn, moet een aantasting van iemands goede naam echter een zekere mate van ernst bereiken en op een wijze die afbreuk doet aan het persoonlijk genot van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het vereiste heeft betrekking op de sociale reputatie in het algemeen, maar in het bijzonder op de professionele reputatie.[2]

Ook in Nederlandse rechtspraak wordt artikel 8 toegepast, bijvoorbeeld als een omroep de reputatie van een ondernemer aantast. Die was ernstig, onder meer door persoonlijke bedreigingen, het in het sociale netwerk en familie op negatieve wijze worden aangesproken en het beëindigen van een contract met een opdrachtgever.[3]

Algemene verordening gegevensverwerking (AVG)

Artikel 4 luidt, voor zover relevant:

1)   „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam (…) of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;

2)   „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;

7)   „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ook als de naam van een persoon in een verwerking, zoals een rapport, niet wordt genoemd, kan sprake zijn van persoonsgegevens als die persoon toch identificeerbaar is. Van verwerking is sprake als bijvoorbeeld over iemand wordt gerapporteerd. Volgens de jurisprudentie is een onderzoeker zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke.[4] Dat  betekent dat hij aan de AVG met voldoen en daarop aanspreekbaar is. Als een andere partij het rapport ook bewaart, doorstuurt, bewerkt, etc., met een eigen doel en middel, dan is die zelfstandig verantwoordelijk daarvoor. Er kan ook sprake zijn van gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Artikel 5 (beginselen) luidt, voor zover relevant:

1. Persoonsgegevens moeten:

a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);

b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt;

c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);

d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid”);

e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking”);

f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid”).

2. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen („verantwoordingsplicht”).

Artikel 6 (rechtmatigheid, grondslagen) bepaalt dat persoonsgegevens alleen mogen worden verwerkt als daarvoor een in de AVG genoemde grondslag aanwezig is (toestemming, noodzaak wettelijke plicht, etc.). Elke verwerking daarbuiten is onrechtmatig.

Artikel 82 regelt het recht op schadevergoeding bij onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens of andere schendingen van de AVG, waaronder ook ‘lekken’.

Beledigingsdelicten

Artikel 261 Sr (smaad) luidt:

1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.

Artikel 262 Sr (laster) luidt:

1. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

Smaad en laster worden vaak door elkaar gehaald. Echter, laster is een ernstiger feit omdat de lasteraar weet dat wat hij beweert, onwaar is. Bij smaad hoeft dat niet het geval te zijn: ook het verspreiden van de waarheid kan strafbaar zijn. Voor beide delicten is (het doel van) een bepaalde mate van openbaarmaking, bijvoorbeeld in een brief, rapport of social media-uiting, vereist. Is hiervan geen sprake, dan kan eenvoudige belediging nog aan de orde zijn (artikel 266 r.)

Aansprakelijkheid

Artikel 7:400 BW e.v. regelt de overeenkomst van opdracht. Deze geldt tussen opdrachtnemer en opdrachtgever, dus niet ten opzichte van een eventuele derde. Daarvoor gelden de reguliere regels van (on)rechtmatige daad.

Artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) luidt:

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Schending van onder meer de AVG en andere internationale en nationaal beschermde rechten en – uiteraard – strafrechtelijke beledigingsdelicten gelden als onrechtmatige daad indien er sprake is van schade en er geen rechtvaardiging voor is.

Artikel 171 BW (hoofdelijke aansprakelijkheid opdrachtgever en -nemer) luidt:

Indien een niet ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout, is ook die ander jegens de derde aansprakelijk.

Artikel 6:106 BW (smartengeld) luidt:

1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(…)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.


[1]  ECLI:CE:ECHR:2018:0925JUD007663911, r.o. 97-98.

[2] ECLI:CE:ECHR:2021:1130JUD005110716, r.o. 60.

[3] Rechtbank Midden-Nederland 10 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4146.

[4] https://www.rechtenraat.nl/avg-en-particulier-onderzoek/